- reset +
Home

AB-top

 

Augustinus

 

In de Middeleeuwen bereikte de kerk het hoogtepunt van zijn macht. Dat wil zeggen, dat er bijna alleen maar aan theologie werd gedaan en nauwelijks aan filosofie. En aan seculiere filosofie al helemaal niet. Sterker nog: Als je atheïstisch dacht en je stak dat niet onder stoelen of banken, dan kostte je dat niet alleen je leven, maar je werd ook nog flink gemarteld. Het was de tijd van ketter- en heksenverbrandingen. De donkere Middeleeuwen !

Augustinus leefde in de vierde en vijfde eeuw. Hij was een kerkvader en staat dus meer bekend als theoloog dan als filosoof. Toch heeft Augustinus in zijn zogenaamde "Elfde Boek" een aantal opmerkingen gemaakt over de tijd, die zeker in filosofisch opzicht interessant zijn, opvallend weinig met religie hebben te maken en behoorlijk seculier zijn. Hij filosofeert over de tijd, brengt dat aanvankelijk in verband met god uit een soort conventie. Alles kan immers in verband met god gebracht worden...., maar vraagt zich dan opeens af: "Wat deed god eigenlijk, voordat hij het heelal schiep ?"

 

Belijdenissen, Boek 11:

 

"....Als god eeuwig is, dan deed hij dus voor de schepping niets. Waarom is hij dan niet in die staat gebleven, niets doende, zoals hij altijd al deed ?

Als god een nieuw idee, had om een wezen te creëeren, hoe is het dan met de waarlijke eeuwigheid te combineren, dat hij dat idee eerst niet had ?

 

"....Het verleden wordt gedwongen voort te gaan door de binnenkomende toekomst; alle toekomst komt voort uit het verleden; en zowel het verleden als de toekomst komen voort uit het heden.

Maar wat is eigenlijk tijd ? Als niemand het me vraagt, weet ik het. Maar als iemand het me vraagt, weet ik het niet !

Wel weet ik, dat als er niets gebeurt, er geen verleden zou zijn; en als er niet zou gebeuren, er ook geen toekomst zou zijn. En als er helemaal niets zou zijn, dan was er ook geen heden.

Hoe komt het, dat er twee tijden zijn: verleden en toekomst, terwijl het verleden niet meer bestaat en de toekomst nog niet bestaat ?

Als het heden altijd het heden zou blijven en niet in het verleden over zou gaan, dan zou het niet de tijd zijn, maar de eeuwigheid. En als het heden alleen ontstaat, doordat het over gaat in het verleden, hoe kan het heden dan bestaan, als datgene wat het doet ontstaan, ook datgene is, wat het weer doet vergaan ? Moeten we niet zeggen, dat de tijd tendeert naar een soort niet-bestaan ?

 

Want het verleden is niet nu en de toekomst is er nog niet.

 

Als er een ogenblik kan bestaan, zo kort dat het niet in nog kortere ogenblikken onderverdeeld kan worden, dan is het dat, wat we het "nu" moeten noemen. Maar.... dit vliegt zo snel voorbij van de toekomst naar het verleden, dat het geen enkel bestaan heeft door welk oponthoud dan ook. Want als het "nu" al enig bestaan lijdt, dan is dat in het verleden en in de toekomst. Maar het heden heeft geen enkel bestaan....".

 

De kerkvader heeft het hier over een periode, die "zo kort is, dat hij niet onderverdeeld kan worden in nog kleinere periodes". Hoe gelijk zou hij veertienhonderd jaar later krijgen van de Kwantum-therie: In de theoretische natuurkunde kent men het begrip "Planck seconde", wat inderdaad min of meer de kleinste hoeveelheid tijd is.

 

"....Maar in welke dimensie meten we eigenlijk voorbijgaande tijd. In de toekomst, waar het vandaan komt ? Maar wat nog niet bestaat, kan nog niet gemeten worden. Of meten we het in de dimensie van het heden ? Maar wat geen dimensie heeft, kan niet gemeten worden.Of moeten we het meten in de dimensie van het verleden ? Maar wat niet meer bestaat, kan niet gemeten worden...."

 

Augustinus heeft nu beredeneerd, dat de tijd eigenlijk niet bestaat. Maar wat meet hij dan ?

Als een echte neo-Platonist (zie: Socrates/Plato) verzint hij een oplossing: Hij gaat ervan uit, dat er in je hoofd nog een wereld bestaat, waar die tijd natuurlijk gewoon wel gemeten kan worden:

 

"....Ik meet de tijd dus helemaal niet, want ze bestaat niet; in ieder geval te kort om te kunnen meten. Maar ik meet iets in mijn innerlijk, wat gefixeerd blijft. In mijn innerlijk meet ik, hoe lang een periode duurt. Ik meet de indruk, die de tijd op mijn innerlijk maakt, wanneer ze voortschrijdt en wat er overblijft, als ze weer voorbij is....".

 

 

16 Augustinus