- reset +
Home

AB-top

 

Scotus

 

Johannes Scotus, bijgenaamd Jan de Schot, leefde in de negende eeuw en bracht het grootste deel van zijn leven door aan het hof van de Franse koning Karel de Kale. Wat hem belangrijk maakt, is dat hij de rede boven het geloof plaatste, wat in die tijd natuurlijk ketters was.

Er was destijds een theologisch dispuut: De een kwam op voor predestinatie, wat ongeveer betekent, dat alles vast staat: van te voren al door god geregeld. De ander kwam op voor de vrije wil. Scotus koos in deze discussie voor de vrij wil, maar ging hierin volgens zijn religieuze tijdgenoten veel te ver: Hij kwam in conflict met de kerkelijke autoriteiten en men nam hem vooral kwalijk, dat zijn geschriften een te filosofisch karakter hadden en te weinig religieus waren. Zo hield hij geen enkele rekening met de "openbaringen". Scotus hield echter vol, dat de filosofie meer gezag had dan de theologie en dat de filosofie niets te maken had met de openbaringen. Dit kwam hem natuurlijk op een reprimande van de paus te staan. Maar Scotus wist van geen wijken: Hooguit wilde hij toegeven, dat de openbaringen ook een weg naar de waarheid zouden kunnen zijn, maar als de rede en de openbaringen met elkaar in tegenspraak waren, verdiende, aldus Johannes Scotus de rede de voorkeur. Het paradijs en de zondeval moesten volgens hem symbolisch worden opgevat; dat was allemaal natuurlijk niet echt gebeurd !

Hij liep eigenlijk vooruit op Averroes, die drie eeuwen later zou komen, hoewel hij wel wat verder ging. Scotus is zonder meer een relatieve atheïst te noemen, wat hem in filosofisch opzicht tot een van de meest opvallende en onafhankelijk denkende figuren van de negende eeuw maakt. Omdat hij een relatieve atheïst was, geloofde hij wel in "iets", maar hij had opvallende denkbeelden over wat dat iets, of die god, was. Zo schrijft hij in zijn "Over de Indeling van de Natuur":

 

"....God weet zelf niet wat hij is, aangezien hij geen iets is. In zekere zin is hij onbegrijpelijk voor zichzelf en voor ieder intellect...."

 

Zijn god lijkt erg op die van zeventiende eeuwse Spinoza (Zie: Spinoza), getuige Scotus' volgende uitspraak:

 

"....De schepping is een continu proces; de substantie van alle eindige dingen is god...."

 

Dit laatste is in feite een vorm van polytheïsme, wat natuurlijk onaanvaardbaar was voor de katholieke kerk, ondanks het feit dat het katholicisme ( nog steeds !) vrij poly-theïstisch is ingesteld: Er is niet alleen god: er is ook zijn zoon, Maria, de engelen, de sinten, de heiligen, de zaligen....En ook kent men nog een fiks aantal heilige voorwerpen en vloeistoffen. Maar het poly-theïsme van Scotus was en bleef onbespreekbaar. De paus veroordeelde hem als ketter en liet regelmatig al z'n boeken verbranden, wat gelukkig nooit helemaal is gelukt. Scotus is door niet minder dan twee concilies veroordeeld. Hij is echter nooit vervolgd; waarschijnlijk omdat hij de bescherming genoot van de koning. Scotus was overigens nogal intiem met koning Karel: Toen ze een keer samen aan tafel zaten te eten, vroeg de koning uitdagend aan Scotus:

 

"....Wat scheidt een schot van een zot ?...."

 

Waarop hij gezegd zou hebben:

 

"....Alleen de eettafel...."

 

 

18 Scotus