- reset +
Home

AB-top

 

Hume

 

Hume leefde in Engeland van 1711 tot 1776 en was zoals zo veel filosofen voor hem en na hem, bezig met te bedenken wat kenbaar was en wat niet; eigenlijk kwam hij met een nieuwe kennis theorie zoals de Allegorie van de Grot, de Ideëenleer, het Cogito en in zekere zin, de Kwantumtheorie. (zie: Socrates/Plato, Descartes en elders op site)

Hij ontkende het 'zelf'. We hadden allemaal natuurlijk wel een ik-gevoel, maar dat was volgens Hume schijn. We kregen wel een hoop indrukken, maar niet van het ik. Hij zei hierover:

 

"....Als ik denk aan wat ik mijn 'ik' noem, kom ik altijd op de één of andere gewaarwording, warmte, licht, liefde, pijn, maar ik krijg mijn 'ik' nooit te pakken....Het lijkt net of ik besta uit slechts een bundeling of verzameling van verschillende gewaarwordingen, die elkaar opvolgen met een onbegrijpelijke snelheid en zich in een voortdurende stroom bevinden...."

 

Hume stelde dat hij geen flauw idee had of er een god bestond, maar hij sloot het niet uit.

Hij wist het niet maar hij ging er tevens van uit, dat men zoiets ook niet te weten kon komen.

Hij is hierom weleens een agnosticus genoemd, hoewel hij in feite een relatieve atheïst was, omdat agnosticisme een vorm van relatief atheïsme is. (zie: "Wat is Atheïsme", elders op site)

 

God was een indruk zoals we er zoveel hadden: een levendig idee, geassocieerd met de indruk van iets wat wel bestaat. De eigenschappen die we toeschreven aan god, z'n perfectie, z'n grootheid, z'n genade of z'n wonderen waren slechts projecties van ideëen in onze fantasie. Dit laatste doet sterk aan Xenofanes denken (zie: Xenofanes). En ook goddelijke wonderen bestonden alleen maar in ons hoofd.

Dat geloof zo populair geworden was, kwam volgens Hume door natuurlijke instincten, zoals angst en de geneigdheid om te vervalsen en niet door goddelijke interventie en ook niet door rationeel denken. Aanvankelijk zou er polytheïsme zijn geweest, maar toen de samenleving zich verder ontwikkelde, ging men over op monotheïsme. Mensen konden namelijk niets anders dan geloven, maar geloven kon nooit op de rede gebaseerd zijn en dus was wantrouwen op z'n plaats:

 

"....Dwalingen op filosofisch gebied zijn dwaas; dwalingen op godsdienstig gebied zijn gevaarlijk...."

 

Alle godsbewijzen, en dat waren er nogal veel, werden door Hume verworpen. Het enige dat op een god zou kunnen wijzen, was het bestaan van het heelal. Het bestaan van een eventuele god kennen we dus alleen maar als oorzaak van de wereld en alle andere kwaliteiten blijven verborgen. Het enige wat we van god weten, is de wereld. Dus de enige eigenschap, die we kunnen kennen is, dat hij schiep. Voor de rest weten we niets van god. Merk op, dat er elementen van de 'one substance' theorie van Spinoza in zitten. (Zie: Spinoza) We weten dus ook niet van god, of hij perfect is, groot of barmhartig. Iedere bewering over welke eigenschap van god dan ook, inclusief of hij bestaat of niet, is speculatief ! We kunnen alleen maar de wereld kennen en god kunnen we niet kennen:

 

"....Als er een god bestaat, dan is hij oneindig onbegrijpelijk, heeft geen onderdelen noch begrenzingen noch afmetingen. We zijn daarom niet in staat, om te weten wat hij is, noch of hij is...."

 

Omdat god toch niet kenbaar is en de rede het gebied van de wijsbegeerte is, moest de filosoof, volgens Hume, geen aandacht schenken aan religie.

 

 

29 Hume