- reset +
Home

AB-top

 

Feuerbach

 

Feuerbach was een Duits filosoof en hij leefde van 1804 tot 1872. Hij stelde zich tot doel, om door middel van filosofie de mensheid weer met twee benen op de grond te plaatsen, want we waren, vooral als gevolg van religie, nogal van de werkelijkheid afgedwaald. Het christendom, meer nog dan andere godsdiensten, was onderwerp van zijn kritiek. Geloof was een illusie en hij probeerde min of meer langs psychologische weg te verklaren, hoe we aan die illusie kwamen.

 

Godsdienst ontstond, volgens Feuerbach uit frustratie, die de mens voelt over zijn beperktheid en eindigheid. Daarom tracht de mens zijn innerlijk een goddelijk tintje te geven, terwijl het natuurlijk tegenstrijdig is om te berweren, dat onze hersenpan en ons brein door de natuur zijn ontstaan en onze gedachten, herinneringen en gevoelens door een bovennatuurlijk wezen. Ieder mens heeft verlangens, verlangens naar geluk, verlangens naar rijkdom, verlangens om anderen gelukkig te maken en nog veel meer andere verlangens ('Glückseligkeitstrieb'). De mens is te beschrijven, aldus Feuerbach, als een wensbron. Hij loopt hiermee vooruit op het 'lustprincipe' van Freud (zie: Freud). Dit 'wensdenken' is zo sterk, dat het het gezonde verstand verdringt en het aannemelijk doet schijnen, dat god bestaat.

Op de achtergrond blijven echter de (doods)angsten bestaan. Met de wens hiervan af te zijn wordt de godsdienst geboren:

 

"....Waar geen wensen zijn, zijn geen goden...."

 

Iedere moraal moest op deze 'Glückseligkeitstrieb' gebaseerd zijn, daar zij anders iedere band met de werkelijkheid kwijt was.

 

De verschillen tussen de godsdiensten ontstonden, volgens Feuerbach, doordat dit wensdenken natuurlijke beelden en begrippen nodig had, om zich te laten gelden en vooral om echt te lijken. In archaïsche tijden gebruikte men beelden uit de onmiddelijke omgeving en aanbad men aarde, vuur of dieren. In latere tijden toen er grote wereldrijken ontstonden aanbad men een god, die als een machtig eenheidbrengend en alles bestierend persoon werd voorgesteld. Niet zelden werden god en keizer met elkaar vereenzelvigd. Ook tegen die achtergrond moest men, aldus Feuerbach de overgang van monotheïsme naar polytheïsme zien. Wat het christendom, het jodendom en de islam betreft, was hij van mening, dat de godsbeleving bij de joden en de mohammedanen er meer één was van vereenzelviging met de natuur. De god van deze twee godsdiensten zou onafscheidbaar zijn van de natuur. Net zo goed als je kunt zeggen, dat de natuur het laat regenen, kon je zeggen, dat god het deed regenen. God was alom aanwezig. De god van Spinoza, zou men kunnen zeggen (zie: Spinoza). Het christendom echter scheidt de god van de natuur en stelt hem voor als een persoon op zich, die overal boven staat, maar daardoor juist ook weer overal los van staat. Daardoor, stelt Feuerbach, hebben allah en jahweh iets levendigs en iets organisch, terwijl de christelijke god een veel abstractere aard heeft. Hij bestempelde de christelijke god in dit verband als een "uitgedroogde, verschrompelde god, waaruit iedere binding met de natuur is verdwenen".

Ook vind hij het geloof in onsterfelijkheid, zo typisch voor de westerse religie, een vorm van wensdenken aangejaagd door narcisme, arrogantie en fanatisme. Voortbouwend op deze laatste drie menselijke eigenschappen geeft het christelijk geloof zijn aanhangers een gevoel van waardigheid: "We leven goed, dus we komen vast in de hemel !" De keerzijde is echter, merkt Feuerbach op, dat de anderen, die niet met de religie meedoen, dan dus niet goed leven (zie: Bayle). Mensen werd geleerd van god te houden in plaats van hun medemens. En hieruit ontstond de voor het christendom zo kenmerkende agressie.

 

Feuerbach gaat ervan uit, dat de menselijke beschaving zich alleen maar verder kan ontwikkelen, als ze het narcistische wensdenken enerzijds en de religie anderzijds van zich afwerpt en het intellect met haar natuurwetenschappelijk denken het primaat geeft. Hij ziet religie als een kwaadaardig misverstand, een verkeerde uitleg van de natuur, en voorspelt, dat met de vooruitgang van de natuurwetenschappen religie zal verdwijnen.

Hiermee zet hij het seculiere denken van Spinoza, Bayle, Meslier en d'Holbach voort (zie: betr denkers) en loopt vooruit, zoals we verderop zullen zien, op het atheïstisch existentialisme van Sartre (zie: Sartre).

 

Zijn tijdgenoten waren minder over hem te spreken. Toen hij zijn ideëen had gepubliceerd, werd hij gedwongen om zich terug te trekken uit de universitaire wereld.

 

 

32 Feuerbach