- reset +
Home

AB-top

 

Freud heeft zeer veel boeken geschreven. De volgende handelen vooral over religie:

Totem en Taboe; De Man Mozes en de Monotheïstische Religie; Dwanghandelingen en Godsdienstoefeningen; Het Onbehagen in de Cultuur; De Toekomst van een Illusie. Een bespreking van de laatste volgt hieronder:

--------------------------------------------------------------------------------

 

bespreking van:

"DE TOEKOMST VAN EEN ILLUSIE"

door Sigismund Freud

 

(commentaar door drs. F.C. van Dongen)

 

Freud gaat ervan uit, dat elke cultuur is gebaseerd op arbeidsdwang en driftontzegging. Het is daarom dat je zou kunnen stellen, dat bijna iedere politieke discussie gaat over of je "het primaat" bij het individu of bij de collectiviteit moet leggen. Of je nu praat over dijkverhoging of over de legitimiteit van abortus, het komt altijd op dat antagonisme neer: pas je de groep zoveel mogelijk aan aan het individu of pas je het individu zoveel mogelijk aan aan de groep? De echte politieke tegenstelling (de "oertegenstelling") is: de individuos tegen de collectivos. Het individu zal altijd, al is het maar op onbewust nivo, weerstand voelen tegen de maatschappij, waarvan hij deel uitmaakt. (Het "onbehagen in de cultuur").

Freud zegt hierover:

 

"....Met de verboden waardoor ze in het leven werden geroepen, begon de cultuur zich, niemand weet hoe veel millennia geleden, aan de animale oertoestand te ontworstelen...."

De driftwensen die door deze verboden getroffen worden, worden met ieder kind opnieuw geboren....

Zulke driftwensen zijn de drang tot incest, kannibalisme en moorden....

Mogelijk staan ons culturele ontwikkelingen te wachten waarin nog andere, thans zonder meer mogelijke wensbevredigingen even onacceptabel zullen toeschijnen als nu de bevrediging van het kannibalisme....

Het ligt in de lijn van onze ontwikkeling dat uiterlijke dwang geleidelijk wordt geïnternaliseerd, doordat een bijzondere psychische instantie, het Boven-Ik van de mens, deze dwang onder haar geboden opneemt...."

 

Het is en was echter niet alleen de cultuur, die het individu driftbevrediging ontneemt. De hem omringende natuur is en was voor de mens natuurlijk ook vaak bedreigend: de aarde die beeft, het water dat overstroomt, de storm die alles wegvaagt, de epidemie en natuurlijk, last but not least, de dood zelf.

Hoe neemt en nam het individu het op tegen al deze machtige en hem bedreigende dingen ?

Men ging de natuurkrachten personificeren: de god van de storm, de god van het water enz. enz. Wat betekent dit in psycho-analytisch opzicht ? Freud stelt:

 

"....Deze verbindingen zijn niet moeilijk te vinden. Het zijn de verbanden tussen de hulpeloosheid van het kind en die van de volwassene, welke er de voortzetting van is, zodat de psychoanalytische motivering van de religievorming, gelijk te verwachten was, het infantiele bestanddeel van haar manifeste motivering wordt..."

"....Zo wordt de moeder, die de honger bevredigt, het eerste liefdesobject en zeker ook de eerste bescherming tegen alle onbestemde, in de buitenwereld dreigende gevaren of, kunnen wij ook zeggen, de eerste bescherming tegen de angst. In deze functie maakt de moeder weldra plaats voor de sterkere vader, die deze functie nu gedurende de gehele verdere jeugd behoudt. De verhouding tot de vader is evenwel met een eigenaardige ambivalentie behept. Hij vormde zelf een gevaar, dat misschien dateert van de vroegere verhouding tussen kind en moeder. Dus is de vrees van het kind voor hem niet minder sterk dan zijn verlangen en bewondering. Deze ambivalentie in de verhouding tot de vader heeft diepe sporen nagelaten in alle religies, zoals ook in "Totem und Taboe" betoogd wordt. Wanneer nu de adolescent merkt dat hij gedoemd is altijd een kind te blijven, dat hij de bescherming tegen vreemde oppermachten nooit ontberen kan, verleent hij aan deze oppermachten de trekken van de gestalte van zijn vader, hij schept voor zichzelf de goden, voor wie hij bang is, die hij voor zich tracht te winnen en die hij niettemin met de taak belast om hem te beschermen. Aldus is het motief van het verlangen naar de vader identiek met de behoefte aan bescherming tegen de gevolgen van de menselijke onmacht; het afweren van de kinderlijke hulpeloosheid verleent de reactie op de hulpeloosheid waarvan de volwassene het bestaan moet erkennen, dus juist de religievorming, haar karakteristieke trekken...."

 

Godsdienst lijkt een bijzonder hardnekkig verschijnsel: Er wordt vrijwel nooit een cultuur aangetroffen zonder godsdienst. Of we nu kijken naar een cultuur van erg lang geleden, of naar een cultuur in een gebied, dat pas kort geleden door de westerse beschaving is ontdekt: Godsdienst hebben ze allemaal. Er lijken vier verklaringen voor te zijn:

1: De goden moeten de verschrikkingen der natuur uitbannen

2: De goden moeten de mens verzoenen met de wreedheid van het noodlot; in het bijzonder de dood

3: De goden moeten de mens schadeloos stellen voor de ontberingen, die de maatschappij hem doen doorstaan

4: De goden dienen als "kapstok" voor dingen, die de mens niet begrijpt.

 

Religieuze voorstellingen zijn er in vrijwel iedere cultuur. En meestal ook in grote overmaat. Maar wat is echter hun psychologische betekenis ?

Godsdienst is begonnen met wat Freud noemt: "Totemisme":

In veel primitieve godsdiensten, vooral in de wat oudere godsdiensten spelen dieren een grote rol. De god zou zich openbaren in een dier of diersoort. In het huidige India zijn koeien nog steeds heilig en ook de tempels in Egypte bevatten opvallend veel afbeeldingen van heilige dieren. En daarom zou het verboden zijn, om dat dier te eten. Terwijl dat één maal per jaar bij een zogenaamd offerfeest weer wel zou mogen.

Als we vragen waar god zijn bestaansrecht aan ontleent, krijgen we meestal ongeveer dezelfde drie antwoorden: 1: Ze bestaan, omdat onze voorvaderen er al in geloofden. 2: Vroeger zou hij een of meerdere malen zijn verschenen en 3: Het is verboden om er aan te twijfelen. (" ....je moet aan de bijbel geloven, want dat staat in de bijbel....")

Er wordt veel van religiante zijde gedaan, om de onredelijkheid van deze stellingname goed te praten. Freud merkt hierover op:

 

"....Wij moeten nu gewag maken van twee pogingen, die beide de indruk maken van een krampachtige inspanning om het probleem te ontlopen. De ene, grof van karakter, is oud, de andere subtiel en modern. De eerste is het 'Credo quia absurdum' van de kerkvader. Dat houdt in dat de religieuze doctrines aan de aan spraken van de rede onttrokken zijn, dat ze de rede te boven gaan. Men moet hun waarheid in zichzelf bespeuren en behoeft ze niet te begrijpen. Doch dit Credo is alleen als vrijwillige bekenteis interessant, als machtspreuk is het vrijblijvend. Moet ik worden verplicht elke ongerijmdheid te geloven? En zo nee, waarom juist deze dan wel? Er is geen instantie die boven de rede staat...."

"....De tweede poging is die van de filosofie van het 'alsof'. Daarbij wordt betoogd dat onze denkactiviteit veronderstellingen in overvloed bevat waarvan wij de ongefundeerdheid, ja de ongerijmdheid volledig beseffen. Ze worden ficties genoemd, maar om allerlei praktische redenen zouden wij ons moeten gedragen 'alsof' wij aan deze ficties geloven. Dit zou ook voor de religieuze doctrines gelden vanwege hun onvergelijkelijk belang voor de instandhouding van de menselijke samenleving. Deze argumentatie staat niet ver af van het 'Credo quia absurdum'....."

 

Maar hoe komt het dan, dat religie zo mateloos populair is ? Alleen in Nederland en in Oost-Duitsland is een meerderheid niet kerkelijk. In alle andere landen van de wereld bestaat de meerderheid uit "religianten". (onder "religianten" verstaan we mensen, die zich niet door de rede, maar door een godheid laten leiden). De kracht en de hardnekkigheid van de religieuze illusies zit hem in wat we thans "wishful-thinking" noemen. Freud drukt het als volgt uit:

 

"....Het geheim van hun kracht ligt in de kracht van deze wensen. De schrikaanjagende indruk van de kinderlijke hulpeloosheid heeft, zoals wij reeds weten, de behoefte aan bescherming - bescherming door liefde - opgewekt, een behoefte waarin de vader heeft voorzien, en het besef dat deze hulpeloosheid het gehele leven voortduurt, is er de oorzaak van geweest dat aan het bestaan van een - nu echter machtiger - vader wordt vastgehouden. Dank zij het goedgunstige bestuur van de goddelijke voorzienigheid wordt de angst voor de gevaren van het leven gesust, de vestiging van een zedelijke wereldorde garandeert dat wordt voldaan aan de eis tot gerechtigheid, die binnen de menselijke cultuur zo zelden is nagekomen, en de verlenging van het aardse bestaan door een toekomstig leven zorgt voor het ruimtelijke en temporele kader waarin deze wensen in vervulling zullen gaan. Antwoorden op gissingen van de menselijke weetgierigheid, zoals naar het ontstaan van de wereld en de relatie tussen het lichamelijke en het psychische, krijgen onder de premissen van dit systeem gestalte; het betekent een reusachtige verlichting voor het individu, wanneer zijn psyche van de nooit geheel overwonnen conflicten van de kinderjaren, ontstaan uit het vadercomplex, wordt ontlast en die conflicten tot een door allen aanvaarde oplossing worden gebracht...."

 

Freud noemt een geloof een illusie wanneer (en omdat) in de motivering ervan de wensvervulling op de voorgrond treedt. Ook merkt hij op, dat deze illusies eigenlijk te omschrijven zijn als waandenkbeelden en hij bespreekt hun relatie met het wetenschappelijk denken:

 

".... Het zijn stuk voor stuk illusies, niet te bewijzen, niemand mag worden gedwongen ze voor waar te houden, eraan te geloven. Sommige van deze doctrines zijn zo onwaarschijnlijk, zozeer in strijd met alles wat wij moeizaam over de realiteit van de wereld te weten zijn gekomen, dat men ze - op passende wijze rekening houdend met de psychologische verschillen - kan vergelijken met de waandenkbeelden. Over het realiteitsgehalte van de meeste kan men geen oordeel uitspreken. Zoals ze niet te bewijzen zijn, zo zijn ze evenmin te weerleggen. Men weet nog te weinig om ze kritisch te kunnen benaderen. De wereld geeft haar geheimen slechts langzaam aan ons onderzoek prijs, de wetenschap kan op veel vragen thans nog geen antwoord geven. Toch is wetenschappelijke arbeid voor ons de enige weg die tot kennis van de ons omringende realiteit kan leiden. Het is wederom enkel een illusie indien men iets van de intuïtie en de introspectie verwacht; die kunnen ons hoogstens - moeilijk te interpreteren - informatie over ons eigen zieleleven geven, nimmer uitsluitsel over de vragen die de religieuze leer zo gemakkelijk weet te beantwoorden. Het zou misdadig zijn de eigen willekeur de leemte te laten opvullen en naar persoonlijk goeddunken dit of dat aspect van het religieuze stelsel als meer of minder plausibel te verklaren. Daarvoor zijn deze vragen te belangrijk, men zou haast zeggen: te heilig...."

 

Maar is het verschijnsel, dat sommigen troost halen uit hun religie, bijvoorbeeld nadat ze een dierbaar familielid hebben verloren, niet iets dat ten positieve van godsdienst geldt ? Waarom zou men niet geloven, als men daar baat bij vindt?

 

"....Ja, waarom niet? Zoals niemand tot geloven is te dwingen, zo is ook niemand tot niet geloven te dwingen. Maar men scheppe vooral geen behagen in het zelfbedrog dat men met zulke argumenten de wegen van het correcte denken bewandelt. Indien het afkeurende oordeel 'flauwe uitvlucht' ooit op zijn plaats was, dan hier wel. Onwetendheid is onwetendheid; uit onwetendheid kan men geen recht afleiden om iets te geloven...."

 

Zijn er misschien nog meer illusies, behalve religieuze illusies, die een te grote rol spelen in onze samenleving ?

Freud vroeg zich hierover het volgende af:

 

"....Nu wij de religieuze doctrines als illusies hebben onderkend, rijst meteen de volgende vraag: is ook ander cultuurbezit dat wij in ere houden en waardoor wij ons leven laten beheersen, soms van soortgelijke aard? Moeten de premissen die onze staatsinstellingen reguleren, niet eveneens illusies worden genoemd, worden de betrekkingen tussen de geslachten in onze cultuur niet evenzeer door één of meer erotische illusies vertroebeld ?...."

 

Maar, zo werpen de religianten ons vaak voor de voeten: "Is religie niet het bindmiddel van de samenleving ? Is onze cultuur er niet op gegrondvest ? Zou niet iedereen, zonder meer aan zijn egoistische driften gehoor geven, als er geen godsdienst was ? Heeft de mens niet diepe behoeften, die nimmer door koele wetenschap kunnen worden bevredigd?

 

"....Dit zijn wel veel aanklachten tegelijkertijd! Maar ik sta klaar om ze stuk voor stuk te weerspreken, en bovendien zal ik de stelling verdedigen dat het voor de cultuur een groter gevaar betekent als men haar huidige relatie tot de religie in stand houdt dan als men haar verbreekt...."

 

Freud gaat, zichzelf min of meer verdedigend, verder met de volgende argumenten:

 

"....Welnu, om met mijn verdediging verder te gaan: de religie heeft de menselijke cultuur duidelijk grote diensten bewezen, ze heeft veel, maar niet genoeg, tot de breideling van de asociale driften bijgedragen. Ze heeft vele millennia achtereen de menselijke samenleving beheerst; heeft de tijd gehad om te laten zien wat ze kan. Was het haar gelukt de meerderheid van de mensen gelukkig te maken, te troosten, met het leven te verzoenen, hen tot dragers van de cultuur te maken, dan zou niemand op het idee komen een verandering van de bestaande situatie na te streven. Maar wat zien wij in plaats daarvan? Dat een ontstellend aantal mensen met de cultuur ontevreden en ongelukkig is, haar als een juk ervaart dat men moet afschudden; dat deze mensen ofwel al hun krachten aanwenden om deze cultuur te wijzigen, ofwel in hun cultuurvijandigheid zó ver gaan dat zij hoegenaamd niets van cultuur en beteugeling van driften willen weten. Deze toestand, zal men ons hier tegenwerpen, vloeit juist voort uit het feit dat de religie een deel van haar invloed op de mensenmassa's verloren heeft, juist door het betreurenswaardige effect van de vooruitgang in de wetenschap. Wij zullen deze erkenning en ook het daarbij gehanteerde argument onthouden en verderop voor onze doeleinden benutten, doch de tegenwerping zelf is slap.

Het valt te betwijfelen of de mensen ten tijde van de absolute heerschappij van de religieuze doctrines over het geheel genomen gelukkiger waren dan tegenwoordig, zedelijker waren zij in elk geval niet. Zij hebben altijd de kunst verstaan de religieuze voorschriften te vervlakken en daarmee de bedoelingen van deze voorschriften te verijdelen. De priesters, die over de gehoorzaamheid aan de religie moesten waken, kwamen hen daarbij tegemoet. Gods goedheid moest Zijn gerechtigheid wel dwarsbomen: men zondigde en vervolgens bracht men offers of deed boete, en dan was men vrij om opnieuw te zondigen.

Wij hebben horen erkennen dat de religie niet meer dezelfde invloed op de mensen heeft als voorheen. (Wij spreken hier over de Europees-christelijke cultuur.) Niet omdat haar beloften bescheidener zijn geworden, maar omdat ze de mensen minder geloofwaardig toeschijnen. Wij geven toe dat deze verandering haar oorzaak heeft in de versterking van de wetenschappelijke geest in de bovenlagen van de menselijke samenleving. (Het is wellicht niet de enige oorzaak.) De kritiek heeft aan de bewijskracht van de religieuze documenten geknaagd, de natuurwetenschap heeft de daarin opgesloten dwalingen aangetoond, het vergelijkend onderzoek is de fatale gelijkenis opgevallen tussen de door ons vereerde religieuze voorstellingen en de geestesprodukten van primitieve volken en tijden.

De geest van de wetenschap produceert een bepaalde houding tegenover de dingen van deze wereld; voor het religieuze houdt deze geest even stil en aarzelt, om ten slotte ook hier over de drempel te stappen. Dit proces valt niet tegen te houden; naarmate de schatten van onze kennis voor meer mensen toegankelijk worden, verbreidt zich meer en meer de afvalligheid van het religieuze geloof, aanvankelijk alleen van zijn verouderde, stuitende inkledingen, maar vervolgens ook van zijn fundamentele premissen...."

 

Je zou je af moeten vragen, of je van welke morele kwestie dan ook, een religieuze kwestie zou moeten maken. Zou er enige meerwaarde inzitten als je, wanneer het over moraal gaat, de religie erbij te haalt ? Stel je voor dat de discussie ging over het doden van mensen. Natuurlijk mag je niet moorden; maar wat heeft dat met god te maken?

 

"....Deze rationele motivering van het verbod om te moorden spreken wij evenwel niet hardop uit, nee, wij beweren dat God het verbod heeft uitgevaardigd. Wij verstouten ons dus zijn bedoelingen te raden en stellen vast dat ook hij niet wil dat de mensen elkaar uitroeien. Door zo te werk te gaan bekleden wij het culturele verbod met een heel bijzondere waardigheid, maar lopen daarbij het risico dat wij de naleving ervan afhankelijk maken van het geloof in God. Wanneer wij deze stap terugdoen, onze wil niet meer op God afschuiven en met de sociale motivering genoegen nemen, hebben wij weliswaar van die verheerlijking van het culturele verbod afgezien, maar ook vermeden dat het gevaar loopt...."

 

Zou je kunnen zeggen, dat god erbuiten laten, als het over moraal gaat, voordeel heeft ? In de zin dat het misschien beter is, om ook godsdienst en moraal gescheiden te houden ? Is moraal niet veel te belangrijk, om het aan godsdienst over te laten?

 

"....Het zou een onbetwistbaar voordeel zijn om God er maar helemaal buiten te laten en eerlijk toe te geven dat alle culturele instellingen en voorschriften een zuiver menselijke oorsprong hebben...."

 

Zou je kunnen zeggen, dat de neurosen, die we van het individu kennen, min of meer parallel lopen met de collectieve neurose, die we als religie kennen?

 

"....Van het mensenkind weten wij dat het zijn ontwikkeling tot cultuurmens niet goed kan voltooien zonder een soms meer, soms minder duidelijke neurotische fase te doorlopen. Dat komt doordat het kind zovele van de voor later onbruikbare driftaanspraken niet kan onderdrukken door rationele inspanning, maar ze moet breidelen door verdringingsakten, waarachter in de regel een angstmotief schuilgaat. De meeste van deze kinderneurosen worden in de groei spontaan overwonnen, in het bijzonder de dwangneurosen van de vroege jeugd valt dit lot ten deel. De psychoanalytische behandeling zal naderhand ook nog met de rest definitief afrekenen. Op geheel eendere wijze zou men moeten aannemen dat de mensheid als geheel in haar ontwikkeling door de eeuwen heen in toestanden vervalt die met de neurosen analoog zijn, en wel om dezelfde redenen, daar de mensheid in de tijden dat zij onwetend en intellectueel zwak ontwikkeld was, de voor het menselijke samenleven absoluut noodzakelijke driftontzeggingen alleen door zuiver affectieve krachten tot stand heeft gebracht. De bezinksels van de in de voortijd voorgevallen, op verdringing gelijkende processen kleefden de cultuur daarna nog lange tijd aan.

De religie zou dan de algemeen menselijke dwangneurose zijn, net als die van het kind zou ze haar oorsprong hebben in het Oedipus-complex, in de relatie tot de vader. Volgens deze zienswijze valt te verwachten dat de afwending van de religie moet geschieden met de door het noodlot bepaalde onverbiddelijkheid van een groeiproces en dat wij ons juist nu midden in deze ontwikkelingsfase bevinden. Ons gedrag zou zich dan ook moeten richten naar het voorbeeld van een verstandige opvoeder, die zich niet tegen een ophanden nieuwe ontwikkeling verzet, maar haar tracht te stimuleren en de gewélddadigheid wàarmee ze doorbreekt, tracht in te dammen. Het wezen van de religie is met deze analogie uiteraard niet van alle kanten belicht.

Terwijl ze enerzijds dwangmatige inperkingen impliceert, zoals alleen een individuele dwangneurose dat doet, behelst ze anderzijds een systeem van wensillusies die gepaard gaan met loochening van de werkelijkheid, zoals wij dat in geïsoleerde staat alleen aantreffen bij een "amentia," een gelukzalige hallucinatoire verwardheid. Dit zijn nu eenmaal slechts parallellen, waarmee wij pogen het sociale fenomeen te doorgronden, de pathologie van het individu biedt ons geen volwaardige pendant daarvan. Herhaaldelijk is erop gewezen (door mij en met name door Th. Reik) dat de analogie van de religie met een dwangneurose tot in details is uit te werken, dat tal van bijzonderheden en wederwaardigheden van de religievorming langs deze weg te begrijpen zijn. Daarbij past ook goed dat de vrome gelovige in hoge mate tegen het gevaar van bepaalde neurotische aandoeningen beschermd is; het aannemen van de algemene neurose ontslaat hem van de taak een persoonlijke neurose te ontwikkelen. Het besef van de historische waarde van bepaalde religieuze doctrines verhoogt ons respect ervoor, maar maakt ons voorstel om ze bij de motivering van de culturele voorschriften weg te laten niet waardeloos. In tegendeel! Op grond van deze historische resten zijn wij tot de opvatting gekomen dat de religieuze leerstellingen als het ware neurotische relicten zijn, en nu mogen wij zeggen dat het waarschijnlijk tijd is om, net als in de analytische behandeling van de neuroticus, de gevolgen van de verdringing te vervangen door de resultaten van de rationele geestesarbeid. Dat het in deze omwerking niet zal blijven bij de plechtige verheerlijking van de culturele voorschriften, dat een algehele herziening voor vele voorschriften onvermijdelijk zal eindigen met hun afschaffing, is te voorzien, maar niet echt te betreuren. De ons opgedragen taak om de mensen met de cultuur te verzoenen zal langs deze weg in verregaande mate worden verwezenlijkt....."

 

Hoe zit het met het verband tussen een religieuze opvoeding en een gezonde sexuele ontwikkeling ?

Freud, die eind 19e, begin 20e eeuw leefde, zegt over de toenmalige "pedagogiek" het volgende:

 

"....Men brengt het kind met de religieuze doctrines in aanraking op een tijdstip dat het er geen belangstelling voor heeft, noch het vermogen om hun draagwijdte te bevroeden. Vertraging van de seksuele ontwikkeling en vervroeging van de religieuze invloed, dat zijn toch de twee voornaamste punten in het program van de hedendaagse pedagogiek, nietwaar? Wanneer vervolgens het denken van het kind ontwaakt, zijn de religieuze doctrines al onaantastbaar geworden. Maar gelooft u dat het voor de versterking van de denkfunctie zeer bevorderlijk is als ze, door het dreigen met hellestraffen, geen toegang heeft tot een zo belangrijk gebied? Wie zich eenmaal zo ver gekregen heeft dat hij alle absurditeiten die de religieuze doctrines hem opdissen, klakkeloos accepteert en zelfs de onderlinge tegenstrijdigheden over het hoofd ziet, over diens zwakke denkvermogen behoeven wij ons niet al te zeer te verwonderen. Nu hebben wij echter geen ander middel dan onze intelligentie om onze driftnatuur te bedwingen. Hoe kan men van personen die onder de heerschappij van denkverboden staan, verwachten dat zij het psychologische ideaal, het primaat van de intelligentie, zullen bereiken ?...."

 

Zou het zin hebben, überhaupt mogelijk zijn, om religie in één keer af te schaffen?

 

"....Stellig is het een onzinnige onderneming de religie met geweld en in één keer te willen afschaffen. Vooral omdat het kansloos is. De gelovige laat zich zijn geloof niet afpakken, noch door argumenten noch door verboden. Gelukte het bij sommigen wel, dan zou het een wreedheid zijn. Wie tientallen jaren achtereen slaapmiddelen heeft gebruikt, kan natuurlijk niet slapen wanneer men hem het middel onthoudt. Dat het effect van de religieuze vertroostingen op één lijn gesteld mag worden met die van een narcoticum, wordt aardig geïllustreerd door wat er in Amerika gebeurt. Daar wil men nu de mensen het gebruik van alle stimulerende, verdovende en genotsmiddelen verbieden en bij wijze van schadeloosstelling overvoert men hen met godsvrucht. Ook naar de afloop van dit experiment behoeft men niet nieuwsgierig te zijn. Ik spreek u dan ook tegen als u verder gaat en concludeert dat de mens in het algemeen niet buiten de troost van de religieuze illusie kan, dat hij daarzonder de last van het leven, de wrede werkelijkheid, niet zou verdragen. Ja, dat geldt voor de mensen die u het zoete - of bitterzoete - gif van kindsbeen af hebt toegediend. Maar de anderen, die in nuchterheid zijn grootgebracht? Wellicht heeft wie niet aan de neurose lijdt, ook geen intoxicatie nodig om haar te verdoven. Stellig zal de mens dan in een lastige situatie verkeren, hij zal zichzelf heel zijn hulpeloosheid, zijn onbeduidendheid in het wereldse raderwerk moeten bekennen, hij zal niet langer het middelpunt van de schepping, niet langer het voorwerp van liefderijke zorg van een goedgunstige voorzienigheid zijn. Hij zal zich in dezelfde positie bevinden als het kind dat het ouderlijk huis verlaten heeft, waarin het zich zo warm en behaaglijk voelde. Maar het infantilisme is toch gedoemd te worden overwonnen, nietwaar? De mens kan niet eeuwig kind blijven, hij moet ten slotte naar buiten, het 'vijandige leven' in. Men kan dat 'de opvoeding tot de realiteit' noemen, en moet ik u nog vertellen dat mijn geschrift als enige bedoeling heeft de aandacht te vestigen op de noodzaak van deze stap vooruit ....?"

 

Freud beëindigt zijn betoog met een optimistisch geluid. En in een denkbeeldige discussie met een religiant, wordt "onze" Multatuli ook nog even genoemd:

 

"....Het primaat van het intellect ligt stellig in een ver, ver, maar waarschijnlijk toch niet oneindig ver verschiet. En aangezien het intellect vermoedelijk dezelfde doelen zal nastreven als die waarvan u de verwezenlijking door uw God verwacht - namelijk mensenliefde en beperking van het lijden-, op menselijke maat natuurlijk, voor zover de externe realiteit, de "REDE" (1) het toelaat -, mogen wij ons voorhouden dat ons antagonisme slechts van tijdelijke aard en niet onverzoenlijk is. Wij hopen vurig hetzelfde, maar u bent ongeduldiger, veeleisender en - waarom zou ik het niet zeggen? - zelfzuchtiger dan ik en de mijnen. U wilt de zaligheid meteen na de dood laten beginnen, verlangt het onmogelijke van haar en wilt de eis van het menselijk individu niet opgeven. Onze god "NOODZAKELIJKHEID" (1) zal van deze wensen verwezenlijken wat de natuur rondom ons toelaat, maar zeer geleidelijk, pas in een onafzienbare toekomst en voor nieuwe mensenkinderen. Een schadeloosstelling voor ons, die zwaar onder het leven gebukt gaan, belooft hij niet. Op de weg naar dit verre doel moeten uw religieuze doctrines worden prijsgegeven, om het even of de eerste pogingen mislukken, om het even of de eerste substituutvormingen te zwak zullen blijken. U weet waarom; op den duur kan niets de rede en de ervaring weerstaan, en de strijdigheid van de religie met beide is maar al te tastbaar...."

 

(1):

Het godenpaar i\óyoç [Rede]-'Aváyxr] [Noodzakelijkheid] van de Nederlander Multatuli.

Multatuli was sinds lange tijd een van Freuds favoriete schrijvers. Zijn pleidooi voor een eerlijke seksuele voorlichting van kinderen wordt door Freud in zijn artikel over dit onderwerp met instemming geciteerd. Multatuli's werken en brieven staan ook bovenaan de lijst van 'tien goede boeken' die Freud opstelde als antwoord op een rondvraag naar favoriete boeken.....".

 

Copyright © 2010 Atheistisch Seculiere Partij.

All Rights Reserved.

Designed by PoWeRsite Web&Design.