Atheïstische Beweging

"RELIGIANTE WETTEN"

Resultaten site 1, de Grondwet:

We vonden in de Grondwet drie artikelen, waarvan één met vier leden. Alle religiante termen zijn rood gemaakt.

1  Grondwet:

artikel 1: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

artikel 6: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

artikel 23:

lid 3: Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
lid 5:.De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
lid 6: Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
lid 7: Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.

Resultaten site 2 en 3, overige wetten: 

We vonden 59 wetten met een veelvoud daarvan aan artikelen. Omwille van het overzicht zijn deze wetten zo veel mogelijk gerangschikt op alfabetische volgorde. 

2  Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel:

Artikel 5: lid 6: In afwijking van het eerste lid kunnen maatregelen worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij, indien a: de maatregelen noodzakelijk zijn in verband met de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder begrepen de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen, 

Algemene termijnenwet:

artikel 1: lid 1: Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

artikel 2: een in een wet gestelde termijn van ten minste drie dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn.

artikel 3:

lid 1: Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei.
lid 2: Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.
Lid 3: Wij kunnen bepaalde dagen voor de toepassing van deze wet met de in het eerste lid genoemde gelijkstellen. Ons besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt. 

Algemene wet gelijke behandeling:

“Wet van 2 maart 1994, houdende algemene regels ter bescherming tegen discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat”. 

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede in verband met artikel 1 van de Grondwet, ter bevordering van de deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijk leven bescherming te bieden tegen discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, dat het daarom wenselijk is behoudens wettelijke uitzonderingen onderscheid op deze gronden te verbieden en dat het in verband met de handhaving van dit verbod wenselijk is een Commissie gelijke behandeling in te stellen”. 

artikel 1: lid 1: b: direct onderscheid: onderscheid tussen personen op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;

artikel 3: Deze wet is niet van toepassing op:
a: rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, alsmede binnen andere genootschappen op geestelijke grondslag; 
b: het geestelijk ambt

artikel 5: lid 1: Onderscheid is verboden bij: a t/m h.
                  lid 2: Het eerste laat onverlet: 
a: de vrijheid van een instelling op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag om eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de vervulling van een functie, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;
c: de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om eisen te stellen over de vervulling van een functie, die, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

artikel 6a: lid 1: Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of een vereniging van beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat lidmaatschap of uit die betrokkenheid voortvloeien.
                     lid 2: Het eerste lid laat onverlet: a: de vrijheid van een op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging om eisen te stellen, die gelet op haar doel, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat en
b: de vrijheid van een op politieke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging om eisen te stellen, die gelet op haar doel, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.(“….”)

artikel 7: lid 1: Onderscheid is verboden bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van loopbaanoriëntatie en advies of voorlichting over school- of beroepskeuze, indien dit geschiedt: c: door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs of
                  lid 2: Het eerste lid, onderdeel c, laat onverlet de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Onderscheid op grond van geslacht is alleen toegestaan, indien de eigen aard van de instelling dit eist en voor leerlingen van beide geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn.

5  Ambtenarenwet:

artikel 125b: De ambtenaar is niet gehouden tot dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt. 

6   Auteurswet:

artikel 17c: Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde of kunst wordt niet beschouwd de gemeentezang en de instrumentale begeleiding daarvan tijdens een eredienst. 

Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen:

artikel 46: lid 1: De jeugdige heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven.
                     lid 2: De directeur draagt zorg dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de jeugdigen, beschikbaar is.
                     lid 3: De directeur stelt de jeugdige in de gelegenheid op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:
                               a: persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van de godsdienst of de levensovertuiging van zijn keuze, die aan de inrichting is verbonden;
                                b: contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde geestelijke verzorgers volgens artikel 43;
                                c: in de inrichting te houden godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
                      lid 4: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke verzorging. Deze regels hebben betrekking op de verlening van geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke verzorgers bij een inrichting.

artikel 49: lid 3: De directeur draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of de levensovertuiging van de jeugdigen. 

Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden:

artikel 40: lid 1: De verpleegde heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven.
                     lid 2: Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de verpleegden, beschikbaar is.
                     lid 3: Het hoofd van de inrichting stelt de verpleegde in de gelegenheid op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:
                           a: persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van de godsdienst of levensovertuiging van zijn keuze, die aan de inrichting is verbonden;
                           b: contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde geestelijke verzorgers volgens het bepaalde in artikel 37;
                            c: in de inrichting te houden godsdienstige en levensbeschouwelijke bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen, tenzij het hoofd van de inrichting dit verbiedt in verband met de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
                      lid 4: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke verzorging. Deze regels kunnen betrekking hebben op de verlening van geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke verzorgers bij een inrichting.

artikel 42: Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of levensovertuiging van de verpleegden. 

9  Burgerlijk wetboek 1:

artikel 16c: Burgemeester en wethouders bepalen de uren, waarop elk bureau van de burgerlijke stand dagelijks voor het publiek geopend zal zijn. Daarbij wordt, ten einde de werkzaamheden van de ambtenaren van de burgerlijke stand op die dagen zoveel mogelijk te beperken, een afzonderlijke regeling getroffen voor de zaterdag, de zondag, de algemeen erkende feestdagen en de overige daarvoor door burgemeester en wethouders aan te wijzen dagen, waarop gemeentelijke diensten niet of slechts gedeeltelijk zijn geopend.

artikel 68:  Geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken. 

10  Gemeentewet

artikel 220d: In afwijking in zoverre van artikel 220c wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
       lid c:  onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 

11  Gezondheids- en welzijnswet voor dieren:

artikel 44: lid 3: Het slachten van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische of de islamitische ritus is toegestaan.
                     lid 5: Een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid vindt plaats:
                           a: indien het betreft het slachten volgens de israëlitische ritus: op verzoek van de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap;
                           b: indien het betreft het slachten volgens de islamitische ritus: op verzoek van één of meer organisaties die geacht kunnen worden alle of een bepaalde groep islamieten in Nederland te vertegenwoordigen;
een en ander voor zover uit het desbetreffende verzoek blijkt dat in het deel van het land dat vanuit de aan te wijzen inrichtingen pleegt te worden bediend behoefte bestaat aan vlees, afkomstig van volgens de desbetreffende ritus geslachte dieren.
                     lid 6: Een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid vindt voorts plaats op verzoek van een israëlitische of islamitische groepering in een ander land, waarmee wordt ingestemd door de in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde commissie, onderscheidenlijk de in onderdeel b bedoelde organisaties indien in het verzoek wordt aangetoond dat bij die israëlitische of islamitische groepering behoefte bestaat aan de import van vlees afkomstig van volgens de desbetreffende ritus geslachte dieren.
                     lid 7: Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en in overleg met de aangewezen inrichting en
                           a: voor zover het betreft de behoefte aan vlees, afkomstig van volgens de israëlitische ritus geslachte dieren: in overleg met de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, of
                           b: voor zover het betreft de behoefte aan vlees, afkomstig van volgens de islamitische ritus geslachte dieren: in overleg met de in het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde organisaties,
                      lid 8: Het slachten zonder voorafgaande bedwelming mag slechts geschieden:
                           a: voor zover het betreft het slachten volgens de israëlitische ritus: door personen die daartoe door het Opperrabbinaat voor Nederland zijn gemachtigd, en
                           b: voor zover het betreft het slachten volgens de islamitische ritus: door personen die daartoe door de in het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde organisaties zijn aangewezen, mits die personen daarvan door een schriftelijk bewijs aan de keuringsdierenarts hebben doen blijken.
Deze personen voegen zich ten aanzien van het aantal door hen ritueel te slachten dieren naar de voor elke inrichting aangewezen hoeveelheid; zij volgen ter zake de aanwijzingen van de keuringsdierenarts op, die toeziet, dat het vastgestelde aantal niet wordt overschreden.
                       lid 9: Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de bescherming van het slachtdier regelen gesteld omtrent het slachten volgens de israëlitische of de islamitische ritus. 

12  Gratiewet:

artikel 13: lid 1: Gratie kan worden verleend onder voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen. Deze voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken 

13  Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën:

artikel 103: lid 3: De in artikel 102 bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een rechtspersoon, die krachtens de inschrijving van de akte van toedeling de eigendom van onroerende zaken heeft verkregen, niet, voor zover het betreft gebouwen:

a: in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst;
b: bestemd voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten in de zin van de artikelen 13 en 14 van de Wet Premie Kerkenbouw;
c: behorende tot een klooster;
d: behorende tot een diaconie; 

14  Inkwartieringswet:

artikel 24: De vorderingen mogen niet leiden tot storing in de Rijks-, provinciale of gemeentelijke dienst, de dienst der openbare nutsbedrijven, de geregelde dienst der publieke vervoermiddelen, de openbare eredienst, de geneeskundige verzorging of de lijkbezorging. 

15  Invoeringswet Wetboek van Strafrecht:

artikel 10: lid 3: de artt. 6 en 7 van de wet van 1 Maart 1815 (Staatsbladn°. 21), houdende “voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren Christelijk en Godsdienst toegewijd”;
                     lid 10: de artt. 9, 12 en 13 van de wet van 10 September 1853 (Staatsbladn°. 102), tot “regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen“.

16  Kaderwet dienstplicht:

artikel 14: “Vrijstelling”:  Onze Minister verleent vrijstelling van de in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst wegens: b: het bekleden van een geestelijk ambt of een opleiding tot zodanig ambt;
artikel 28:Godsdienst of levensovertuiging“: De dienstplichtige in werkelijke dienst is niet gehouden tot dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt
artikel 56: “aanpassing art 60”: Wijzigt de Wijzigingswet bepalingen van verschillende wetten ivm erkenning van vrijheid van levensovertuiging als grondrecht.
artikel 72: hoofdst 5, art 56: Aanpassing artikel 60, derde lid, in verband met wijziging van verschillende wetten inzake de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht 

17  Kwaliteitswet zorginstellingen:

artikel 3: De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg. Hierbij betrekt hij de resultaten van overleg tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars en patiënten/consumentenorganisaties. Voor zover het betreft zorgverlening die verblijf van de patiënt of cliënt in de instelling gedurende tenminste het etmaal met zich brengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de instelling geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de patiënten of cliënten. 

18  Leerplichtwet 1969:

artikel 1: “Begripsbepalingen: b: “school”:
1: een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of dagschool voor voortgezet onderwijs, dan wel een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
2: een ingevolge artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs aangewezen bijzondere dagschool voor voortgezet onderwijs;
artikel 11: De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, en de leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt alsmede de jongere die kwalificatieplichtig is, zijn vrijgesteld van de verplichting de school of de instelling geregeld te bezoeken, indien: 
e: de jongere wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging verhinderd is de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken
artikel 13: “Plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging: Een beroep op vrijstelling wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging kan slechts worden gedaan indien daarvan uiterlijk twee dagen vóór de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven.
artikel 13b: Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere, wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging wordt gedaan door middel van kennisgeving aan het hoofd door de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen, tenzij de leerplichtige jongere of de jongere die kwalificatieplichtig is niet meer woonachtig is bij deze personen, in welk geval de kennisgeving wordt gedaan door de jongere zelf. 

19  Mediawet:

artikel 14: Een omroepvereniging is een vereniging die voldoet aan de volgende eisen:
c: de vereniging stelt zich blijkens haar statuten ten doel in haar programma een bepaalde, in de statuten aangeduide, maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in haar programma te richten op de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften.
artikel 15: De Nederlandse Programma Stichting verzorgt een programma dat bestaat uit onderdelen die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit programma te zamen met de programma’s van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.
artikel 161: lid 1: Het is de Kerkeraad van de Gereformeerde Kerk van Bloemendaal toegestaan een radioprogramma voor algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de weergave van kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Bloemendaal. De uitzendingen zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Bloemendaal.
      lid 2: Het is de Generale Synode der Gereformeerde Kerken toegestaan een radioprogramma voor algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de weergave van kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Apeldoorn. De uitzendingen zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Apeldoorn.

20  Militaire Ambtenarenwet 1931:

artikel 12b: De militaire ambtenaar is niet gehouden tot dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt. 

21  Monumentenwet 1988:

artikel 1: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
e: kerkelijke monumenten: onroerende monumenten welke eigendom zijn van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en welke uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging
artikel 2: lid 2: Met betrekking tot een kerkelijk monument wordt geen beslissing genomen ingevolge deze wet dan na overleg met de eigenaar.
artikel 18: Burgemeester en wethouders dan wel Onze minister nemen met betrekking tot een kerkelijk monument geen beslissing ingevolge artikel 16 of 17 dan in overeenstemming met de eigenaar, voorzover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of de levensovertuiging in dat monument in het geding zijn.

22 Oorlogswet voor Nederland:

artikel 36: lid 1: Het militair gezag is bevoegd te bepalen dat geen samenkomsten of vergaderingen op openbare plaatsen, geen samenkomsten of vergaderingen van meer dan tien personen op andere dan openbare plaatsen of geen betogingen zullen worden gehouden dan met zijn schriftelijke vergunning.
                    lid 4: Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op andere dan openbare plaatsen.

23  Pandhuiswet:

(Wet van 8 november 1910, houdende wettelijke bepalingen tot regeling van de banken van leening)
artikel 5: In het reglement wordt bepaald:
        lid 1: dat de bank op Zondagen en algemeen erkende Christelijke feestdagen gesloten is;
        lid 3: dat niet tot pand worden aangenomen: a: zaken, die kenlijk tot den eeredienst behooren of kenlijk afkomstig zijn van instellingen van weldadigheid.
artikel 26: Op Zondagen en algemeen erkende Christelijke feestdagen worden panden niet aangenomen of afgegeven en wordt geld niet verstrekt of in ontvangst genomen. 

24  Penitentiaire beginselenwet:

artikel 41: De gedetineerde heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven.
artikel 44: De directeur draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerden. 

25  Rijkswet administratieve bijstand douane:

artikel 5: lid 2: Persoonsgegevens die betrekking hebben op godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit, intiem levensgedrag, of op grond van medische of psychologische kenmerken, worden slechts opgenomen in aanvulling op andere persoonsgegevens en voorzover het voor de in artikel 2, eerste lid, genoemde doeleinden onvermijdelijk is. 

26  Werkloosheidswet:

artikel 19, lid 3: Geen recht op uitkering heeft de werknemer over een dag waarop zijn arbeid wordt onderbroken uitsluitend doordat: b: deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is, dan wel een kerkelijke feestdag, die ter plaatse waar de werknemer pleegt te werken, algemeen als zodanig wordt gevierd

27  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

artikel 3.14:  Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, ter zake van een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Monumentenwet 1988, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan na overleg met de eigenaar. Voor zover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar

28  Wet beëindiging financiële verhouding tussen Kerk en Staat:

“Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge additioneel artikel IV van de Grondwet naar de tekst van 1983 (additioneel artikel X van de Grondwet naar de tekst van 1972) de daarin vervatte regeling van kracht blijft, totdat bij wettelijke regeling een voorziening zal zijn getroffen; dat op 18 mei 1981 tussen de Staat en een aantal kerkgenootschappen een overeenkomst is gesloten, strekkende tot beëindiging van de in voornoemd Grondwetsartikel vastgelegde financiële verhouding tussen Staat en Kerk“.

artikel 1: De als bijlage bij deze wet gevoegde overeenkomst van 18 mei 1981, gesloten tussen de Staat, vertegenwoordigd door Onze Minister van Financiën, en de in de aanhef van die overeenkomst genoemde kerkgenootschappen, wordt goedgekeurd.
artikel 2: De aanspraken ingevolge additioneel artikel IV van de Grondwet naar de tekst van 1983 (additioneel artikel X van de Grondwet naar de tekst van 1972) van godsdienstige gezindheden en hun leraren vervallen.
artikel 3: De kerkgenootschappen, die partij zijn bij deze overeenkomst, verbinden zich tot het oprichten van een stichting, waarvan de statuten de goedkeuring van de Minister van Financiën behoeven.
artikel 5: Bijlage: De Minister van Financiën, vertegenwoordigend de staat enerzijds, en prof. mr. I. A. Diepenhorst en mr. F. H. M. van Spaendonck, voorzitter, respectievelijk secretaris van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, blijkens de aan deze overeenkomst gehechte onderhandse volmachten optredende als gemachtigden van de volgende kerkgenootschappen anderzijds:
de Remonstrantse Broederschap;
Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland;
het Verbond van Liberaal-Religieuze Joden in Nederland.

Overwegende:
a: dat bij Koninklijk besluit van 21 mei 1946, nr. 46, een Staatscommissie voor de Zaken van de Erediensten werd ingesteld met als opdracht te onderzoeken of en in hoeverre de bestaande praktijk met betrekking tot de financiële verhouding van de staat en de godsdienstige gezindheden bestendiging, herziening dan wel gehele of gedeeltelijke liquidatie behoeft;
b: dat de Staatscommissie, de z.g. commissie-Van Walsum, in februari 1967 aan de Minister van Financiën haar rapport uitbracht, waarin werd geconcludeerd dat artikel 185 van de Grondwet diende te vervallen en in plaats daarvan een wet diende te komen die alle kerken op gelijke voet behandelde en voorzag in een jaarlijkse algemene uitkering aan de kerken, waarvoor de commissie een bedrag van f 50 000 000 per jaar voorstelde;
d: dat het kabinet van oordeel was dat de voorstellen niet dienden te worden overgenomen, maar dat als enige aanvaardbare oplossing in aanmerking kwam een regeling tot afkoop van de uitkeringen aan de kerken en ambtsdragers
f: dat na een uitvoerige parlementaire behandeling in 1972 tot stand kwam de Wet van 10 februari 1972, Stb. 108, houdende verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van artikel 185 van de Grondwet onder opneming van het Additioneel Artikel X, dat luidt:
        1: Totdat ter zake bij een wettelijke regeling een voorziening zal zijn getroffen, blijft de volgende regeling van kracht:
        2: De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welke aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd;
g: dat de kerken, die rechten hebben in de zin van Additioneel Artikel X van de Grondwet, de uitgangspunten en voorstellen van de Commissie-Verdam niet konden aanvaarden en in 1974 in kerkelijke kring een aanvang hebben gemaakt met een onderzoek naar een alternatieve afkoopregeling, welke gerealiseerd zou kunnen worden middels bijdragen in de pensioensfeer;
h: dat dit heeft geleid tot een nota, inzake een afkoopregeling in de pensioensfeer, die door de kerkgenootschappen, die deelnemen aan het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, werd goedgekeurd en aangeboden bij een schrijven d.d. 18 februari 1977 aan de toenmalige Minister van Financiën;
i: dat bedoelde nota een afkoopregeling in de pensioensfeer voorstelde, die naar het oordeel van de kerkgenootschappen recht zou doen aan de historische en sociale betekenis van de financiële verhoudingen tussen de staat en de kerken;
j: dat een regeling in de pensioensfeer aansluit bij de historische strekking van de oude regelingen, waarbij dan tevens kan worden tegemoet gekomen aan de rechtsgelijkheid van de kerkgenootschappen;
k: dat zo’n regeling sociale betekenis heeft, omdat deze de kerkgenootschappen in staat zal stellen de eigen pensioenvoorzieningen aan te passen;
i: dat mede in het licht van de ernstige bezwaren van de rechthebbende kerken tegen de voorstellen van de Interimnota van de Commissie-Verdam en vanwege de algemeen onderkende juridische en organisatorische complicaties een oplossing van pragmatische aard dient te worden nagestreefd, die ook recht doet aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om de oude financiële verhoudingen tussen de staat en de kerken te beëindigen.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

artikel 1: In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a: “kerkgenootschap“: 1 een ex Additioneel Artikel X van de Grondwet rechthebbend kerkgenootschap;
2 een kerkgenootschap, dat geacht kan worden door afsplitsing of afscheiding onmiddellijk, dan wel middellijk te zijn voortgekomen uit een onder a.1 bedoeld kerkgenootschap;
b: “ambtsdrager”: 1:  degene, die als leraar van een kerkgenootschap in de zin van Additioneel Artikel X van de Grondwet een openbare bediening bekleedt of heeft bekleed en als zodanig is aangemeld en ingeschreven bij het Ministerie van Financiën;
2: degene, die zou kunnen zijn aangemeld en ingeschreven bij het Ministerie van Financiën, indien het kerkgenootschap, waarin hij die bediening bekleedt of heeft bekleed, rechthebbende zou zijn geweest op grond van Additioneel Artikel X van de Grondwet;
in beide gevallen, mits het desbetreffende kerkgenootschap aan hem een honorering, inclusief oudedagsvoorziening, verstrekt of laat verstrekken;
c: “kerkelijk dienstjaar”: een jaar, dat door een ambtsdrager in een openbare bediening is doorgebracht, voor zover aan het bekleden daarvan uitzicht op pensioen als bedoeld in Additioneel Artikel X van de Grondwet was verbonden of zou zijn verbonden geweest, indien het een ambtsdrager betreft als bedoeld onder b.2 van dit artikel.
artikel 2: lid 1: De staat stelt aan de gezamenlijke kerkgenootschappen een bedrag van f 250 000 000 ter beschikking, te betalen ineens bij het van kracht worden van deze overeenkomst dan wel naar keuze van de staat te betalen in twintig jaarlijkse bedragen vast te stellen op annuïteitsbasis, waarvan de eerste vervalt bij het van kracht worden van deze overeenkomst, berekend naar een rentevoet, welke voor de staat bij het van kracht worden van deze overeenkomst geldt of zou hebben gegolden voor het opnemen van gelden op de onderhandse kapitaalmarkt, zulks door de staat en de hierna bedoelde stichting in onderling overleg vast te stellen.
artikel 3: lid 1: De kerkgenootschappen, die partij zijn bij deze overeenkomst, verbinden zich tot het oprichten van een stichting, waarvan de statuten de goedkeuring van de Minister van Financiën behoeven.
lid 2: In de statuten wordt bepaald dat:
a: de stichting de ter beschikking gestelde bedragen op geen andere wijze zal aanwenden dan ten gunste van de financiering van pensioenvoorzieningen voor ambtsdragers en hun nabestaanden;
b: tussen de kerkgenootschappen een verdeelsleutel zal gelden, gebaseerd op de totale aantallen kerkelijke dienstjaren van de ambtsdragers van elk kerkgenootschap bij het van kracht worden van deze overeenkomst;
f;de stichting kerkgenootschappen, die bij deze overeenkomst geen partij zijn en die voldoen aan de begripsbepaling van artikel 1, onder a, van deze overeenkomst, in geval zij binnen zes maanden na het van kracht worden van deze overeenkomst de wens daartoe aan de stichting te kennen geven, door erkenning als zodanig in de gelegenheid zal stellen tot het aanvaarden van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten en verbintenissen als waren zij daarbij partij.
artikel 4: lid 3: Voor de berekening van de pensioenen van degenen, die nadien de hoedanigheid van ambtenaar in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet verkrijgen, worden kerkelijke dienstjaren, vervuld tot de dag van het van kracht worden van de overeenkomst en als zodanig geadministreerd door het Ministerie van Financiën medegeteld als voor diensttijd in aanmerking komende tijd, waarbij in kerkelijke betrekkingen doorgebrachte tijd ook indien niet ingevolge het vorenstaande voor medetelling in aanmerking komende, niet geldt als “onderbreking” in de zin van artikel F1, tweede lid, onder a, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet.
artikel 5: De kerkgenootschappen, die partij zijn bij deze overeenkomst en die rechthebbenden zijn in de zin van Additioneel Artikel X van de Grondwet, stemmen ermee in dat de op grond van artikel 29, eerste lid, laatste volzin van het Postbesluit 1955 (Stb. 457) verleende portvrijdommen zullen vervallen 10 jaren na de datum van het van kracht worden van deze overeenkomst

29  Wet beheersing huisvestingsvoorzieningen k.o.-l.o.:

artikel 7: Indien toepassing van artikel 6 tot gevolg heeft dat een schoolgebouw door een bijzondere en een openbare school wordt gebruikt, besluit de gemeenteraad op verzoek van het schoolbestuur van de bijzondere school tot het treffen van de in het vorige lid bedoelde voorzieningen; ook kan de gemeenteraad eigener beweging daartoe besluiten teneinde te waarborgen dat ieders godsdienst of levensovertuiging wordt geëerbiedigd. 

30  Wet belastingen op milieugrondslag:

artikel 69:
lid 1: Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.

31  Wet bescherming persoonsgegevens:

artikel 16: De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.
artikel 17:
lid 1: Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door:
        a: kerkgenootschappen, zelfstandige onderdelen daarvan of andere genootschappen op geestelijke grondslag voor zover het gaat om gegevens van daartoe behorende personen;
        b: instellingen op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag, voor zover dit gelet op het doel van de instelling en voor de verwezenlijking van haar grondslag noodzakelijk is, of
        c: andere instellingen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de geestelijke verzorging van de betrokkene, tenzij deze daartegen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt.
lid 2: In de gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder a, is het verbod tevens niet van toepassing op persoonsgegevens betreffende godsdienst of levensovertuiging van de gezinsleden van de betrokkene voor zover: a:  het betreffende genootschap met die gezinsleden uit hoofde van haar doelstelling regelmatige contacten onderhoudt en….

32  Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag:

artikel 11: Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op andere dan openbare plaatsen. 

33  Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische inrichingen:

artikel 14a: lid 7: Naast de in het zesde lid bedoelde voorwaarde kan de rechter bij de voorwaardelijke machtiging voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de betrokkene, voorzover dit gedrag het gevaar, voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt. De voorwaarden mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging dan wel de staatkundige vrijheid niet beperken.
artikel 45: lid 3: Aan het verlof kunnen voorwaarden betreffende de behandeling of het gedrag van de patiënt, voorzover dit gedrag het gevaar voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt, worden verbonden. De voorwaarden mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging dan wel de staatkundige vrijheid niet beperken. De geneesheer-directeur verleent slechts verlof indien de patiënt zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. 

34  Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst:

artikel 1: lid 3:  Nietig is het beding, waarbij een werkgever verplicht wordt arbeiders van een bepaald ras of met een bepaalde godsdienst, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of leden van een bepaalde vereniging in dienst te nemen of waarbij hij zich verplicht, te weigeren hen in dienst te nemen. 

35  Wet op de expertisecentra:

artikel 4: “Kosten van leerlingvervoer”: lid 3: De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, van de leerling berustende keuze van een school
artikel 49: “Karakter openbaar onderwijs”:
lid 1: Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden
lid 2: Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.
lid 3: Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing. 

36  Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

artikel 49: lid 1: In afwijking van artikel 46 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de grondbelasting buiten aanmerking gelaten, de waarde van: b: onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; 

37  Wet immunisatie militairen:

artikel 5: lid 1: De militair, alsmede, indien de militair minderjarig is, degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent, die op gronden ontleend aan zijn of haar godsdienst, levensbeschouwing of zedelijke overtuiging gewetensbezwaren heeft tegen immunisatie, kan zich met een met redenen omkleed verzoekschrift tot het verkrijgen van vrijstelling van de aan hem of de onder zijn of haar ouderlijk gezag of voogdij staande militair opgelegde verplichting tot Onze Minister wenden. 

38  Wet inburgering:

artikel 1: lid 1: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
g: geestelijke bedienaar: de persoon die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt, arbeid verricht als geestelijk voorganger, godsdienstleraar of zendeling, dan wel ten behoeve van een kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht;

39  Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002:

artikel 13: lid 3: De verwerking van persoonsgegevens wegens iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, gezondheid en seksuele leven vindt niet plaats.

40  Wet internationale misdrijven:

artikel 5: “Hij die zich in geval van een internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan een van de volgende feiten”:
lid 2: d4:  het doen van aanvallen op duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van godsdienstige verering die het culturele of geestelijke erfdeel van de volkeren vormen en waaraan bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling, bijvoorbeeld in het kader van een bevoegde internationale organisatie, wanneer daarvan verwoesting op grote schaal het gevolg is, er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van artikel 53, letter b, van het Aanvullende Protocol (I) en wanneer zodanige historische monumenten, kunstwerken of plaatsen waar godsdienstoefeningen worden gehouden niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn gelegen;
lid 5: p: opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair doelwit zijn;
artikel 6:   “Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan….( )…. van een van de volgende feiten:
lid 3: d: opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair doelwit zijn; 

41  Wet op de jeugdzorg:

artikel 15: De stichting gaat bij de uitoefening van haar taken uit van de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliënt.

artikel 25: lid 3: Voor zover het betreft een zorgaanbieder die jeugdzorg biedt die verblijf van cliënten gedurende ten minste een etmaal met zich meebrengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de zorgeenheid geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de cliënten.

 

42  Wet op de lijkbezorging:

artikel 26: Geen toegang of ingang van een graf of grafkelder mag zich bevinden of worden aangelegd in een kerk of een ander gesloten gebouw, dat niet uitsluitend tot begraven bestemd is

artikel 37: lid 1: Een bijzondere begraafplaats kan slechts worden aangelegd en in stand gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon.

               lid 2: Onder kerkgenootschap wordt mede verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon, in het leven geroepen door een of meer kerkgenootschappen of onderdelen daarvan

artikel 38: Een kerkgenootschap is gerechtigd tot het hebben van één of meer kerkelijke begraafplaatsen tot een zodanige uitgestrektheid, als overeenkomt met een redelijk deel van de grond, welke in de gemeente voor begraafplaatsen bestemd is. De gemeenteraad kan aan een kerkgenootschap op zijn verzoek toestaan, meer of grotere begraafplaatsen te hebben, onverminderd het recht van de andere kerkgenootschappen, bedoeld in de eerste volzin.

artikel 39: lid 1: Voor zover een kerkgenootschap geen gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 38 wordt op zijn verzoek door burgemeester en wethouders een deel van de gemeentelijke begraafplaats te zijner beschikking gesteld.

                lid 2: De gemeente blijft belast met het beheer, het onderhoud en de administratie. Over de inrichting, de afscheiding en het gebruik van genoemd deel der begraafplaats, alsmede over de toepassing van de artikelen 35, 43 en 44, wordt overleg gepleegd met het kerkgenootschap.

artikel 40: lid 3: Indien het kerkgenootschap geen eigenaar van de benodigde grond is, dragen burgemeester en wethouders desgevraagd zorg, dat het kerkgenootschap de grond, mede gelet op de staat, waarin deze ingevolge het tweede lid moet verkeren, op redelijke voorwaarden in eigendom kan verwerven. Kunnen burgemeester en wethouders en het kerkgenootschap niet tot overeenstemming komen, dan bepalen gedeputeerde staten op verzoek van een van hen of beide de voorwaarden.

artikel 52: Een bijzonder crematorium kan slechts worden gevestigd en in werking gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon. Artikel 37, tweede lid, is van toepassing.

artikel 86: De raden der gemeenten, op welke een verplichting rust tot betaling van een jaarlijkse schadeloosstelling in verband met het niet meer plaats vinden van begravingen in kerken of andere gesloten gebouwen, hebben het recht deze verplichting af te kopen tegen betaling van een som, die het twintigvoudige van het bedrag dier schadeloosstelling beloopt.

43 Wet educatie en beroepsonderwijs:

artikel 1.3.7.: lid 1: Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de deelnemers met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.

                     lid 2: Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.

artikel 81.2.: lid 1.Indien binnen redelijke afstand van de woning van de deelnemer niet de gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een openbare instelling, mag aan deze deelnemer de toelating tot een bijzondere instelling niet worden geweigerd op grond van godsdienst of levensbeschouwing.

                     lid 2: Openbare instellingen zijn toegankelijk voor deelnemers zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing.

artikel 12.3.8.: lid 1: Het Christelijk Instituut voor Doven “Effatha” en het Instituut voor Doven “Sint-Michielsgestel” behouden in afwijking van artikel 12.3.2 ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen die de voortzetting zijn van beroepsbegeleidend onderwijs dat deze instituten op 31 december 1995 verzorgden, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas.

 

44   Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: .

artikel 1.12: lid 4: Voorzover het een opleiding in de godgeleerdheid dan wel een opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een aangewezen instelling betreft, is in afwijking van het tweede lid voorwaarde, dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vijfde lid, alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de registratie en dat het onderwijs wordt geregeld bij of krachtens de statuten, de akte of het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de instelling uitgaat.

artikel 1.9: lid 4: Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en in opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek is het derde lid, onder d, voor wat betreft het onderwijs, de examens en de promoties, e en h, niet van toepassing, maar geldt als voorwaarde dat dit onderwijs en onderzoek alsmede de inrichting en het bestuur te dien aanzien worden geregeld bij of krachtens de statuten van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de bijzondere instelling uitgaat of in de op die instelling betrekking hebbende structuurregeling dan wel in het bestuursreglement.

artikel 9.52: (“Kerkelijke hoogleraren”): 1: De hoogleraren aan de bij het in werking treden van de wet van 28 april 1876 (Stb. 102) bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een na die inwerkingtreding vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel gevestigde leerstoel bekleden, hebben, voorzover die kweekscholen, seminaria of leerstoelen op 1 januari 1904 waren gevestigd in gemeenten waar een rijksuniversiteit is, tot het einde van de maand waarin zij de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens hebben bereikt, toegang met raadgevende stem in de vergaderingen van de examencommissies van de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt. Bij de examens in die faculteit mogen zij examineren in de door hen onderwezen vakken. De hoogleraren aan de op 1 september 1986 te Amsterdam gevestigde kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een op dat tijdstip vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel te Amsterdam gevestigde leerstoel bekleden, hebben dezelfde rechten.

                                                                                     2:  De kerkelijke hoogleraren kunnen onder door het college van bestuur te stellen voorwaarden gebruikmaken van de collegelokalen, inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.

                                                                                     3: Op de kerkelijke hoogleraren is artikel 9.19, derde en vierde lid, van toepassing.

artikel 9.59: Op een bijzondere leerstoel bij de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt zijn de artikelen 9.54, tweede lid, en 9.55 niet van toepassing.

artikel 16.12: lid 2: Het doctoraat in de godgeleerdheid of in de wijsbegeerte, verkregen aan een Nederlandse kerkelijke instelling van wetenschappelijk onderwijs, welke reeds op 1 januari 1960 dit doctoraat verleende, geeft het recht tot het voeren van de titel doctor. Artikel 7.22, derde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is van toepassing.

artikel 16.21: lid 1: Uit ‘s Rijks kas wordt jaarlijks door Onze minister een bijdrage verleend aan:

                                                                   b: de Protestantse Kerken in Nederland ten behoeve van de krachtens artikel 6.9 aangewezen Protestantse Theologische Universiteit te Kampen,

                                                                   c: de Christelijk Gereformeerde Kerken in Nederland ten behoeve van de krachtens artikel 6.9 aangewezen Theologische Universiteit der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland te Apeldoorn

                                                   lid 3: Uit ‘s Rijks kas wordt jaarlijks door Onze minister een bijdrage verleend ten behoeve van de seminaria tot opleiding van leraren van een kerkgenootschap of tot een ambtsopleiding, uitgaande van:

                                                            a:  het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap,

                                                            c:  de Remonstrantse Broederschap,

                                                            d: de Algemeen Doopsgezinde Sociëteit,

                                                            e: de Oud-Katholieke Kerk, en

                                                             f: de Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland

artikel 18.66: “Accreditatie en registratie van de opleidingen verzorgd door de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht”: Aan de opleidingen die tot 1 juli 2006 werden verzorgd door de instelling, bedoeld in artikel 16.21, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en met ingang van die datum worden verzorgd door de bijzondere universiteit te Tilburg, blijft de verleende accreditatie verbonden.

artikel 19.3: Bijlage 1: In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid. De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.

                                                            a: De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.

                                                            b: De bijzondere universiteit te:

1 Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs.

2 Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Tilburg.                                                                                                          3uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.

                                                            g: Amsterdam, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland

                                                                Diemen, uitgaande van de Stichting voor Protestants-Christelijk en Rooms-Katholiek Hoger Onderwijs te Amsterdam;

                                                                Dronten, uitgaande van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond;

                                                                Ede, uitgaande van de Stichting Christelijke Kweekschool op de Veluwe

                                                                Ede, uitgaande van de Stichting voor Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;

                                                                Gouda, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag “De Driestar”;

                                                                ‘s-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren enTuindersbond

                                                                Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;

                                                                Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;

                                                                Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;

                                                                Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;

                                                                Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;

                                                                Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;

                                                                Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;

                                                                Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.

 

45  Wet tot regeling van het Militair Onderwijs bij de landmacht:

artikel 5: laatste alinea: Aan de leerlingen van de bij de artt. 1 en 2 genoemde Inrichtingen wordt gelegenheid gegeven, overeenkomstig het verlangen en de keuze der ouders of voogden, onderwijs in den godsdienst te bekomen.

46  Wet susidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten:

artikel 12: “Overgangsbepaling te subsidiëring instellingen, lid 12, nr 5:Van 1 januari 1999 tot 1 januari 2001 komen uitsluitend de volgende instellingen voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking: a: de drie landelijke pedagogische centra, te weten het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum en het Katholiek Pedagogisch Centrum.            nr 9: Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komen uitsluitend de drie landelijke pedagogische centra, te weten het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum en het Katholiek Pedagogisch Centrum voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor de activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, voor zover het betreft studie, ontwikkelingsonderzoek en informatieverstrekking.

 

47  Wet op het primaire onderwijs:
artikel 4: “Kosten van leerlingenvervoer”:
               lid 3: De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school.

artikel 46: “Karakter openbaar onderwiijs:

                lid 1: Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.

                lid 2: Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.

                lid 3: Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.

48   Wet op het voortgezet onderwijs:

artikel 4: lid 3: De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders, voogden of verzorgers, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, van de leerling berustende keuze van een school.

artikel 42: lid 1: Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving, en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden

                lid 2.Openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing.

                lid 3: Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.

artikel 44: 1: Het onderwijs aan openbare scholen wordt gegeven met eerbiediging van ieders geloofs- of levensovertuiging.

artikel 46: lid 1: Aan de openbare scholen worden op verzoek van kerkelijke gemeenten of van plaatselijke kerken de leerlingen in de gelegenheid gesteld in de schoollokalen godsdienstonderwijs te volgen van godsdienstleraren, daartoe door die gemeenten of kerken aan te wijzen.

                      lid 2: De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos voor het godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld.

                      lid 4:  Aan de kerkelijke gemeenten of de plaatselijke kerken kan een subsidie worden verstrekt. De artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat de subsidie slechts kan worden verstrekt bij algemene maatregel van bestuur.

                      lid 5:  Voor de toepassing van dit artikel worden met kerkelijke gemeenten gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die zich blijkens de statuten het geven of doen geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen.

                      lid 6:  Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring van de aanwijzende kerkelijke gemeente of plaatselijke kerk:

    voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 36, eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en

                                b: zijn bekwaamheid onderhoudt.


49 
Wet openbare manifestaties:

“Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de artikelen 6 en 9 en de additionele artikelen III en V van de Grondwet nodig is, wettelijke bepalingen vast te stellen betreffende de uitoefening van het recht tot vrije belijdenis van godsdienst en levensovertuiging en betreffende de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging, alsmede een aantal wetten te wijzigen, onderscheidenlijk in te trekken”

artikel 2: De bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

artikel 3: lid 1: De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.

              lid 2: Voor op vooraf bepaalbare tijdstippen regelmatig terugkerende samenkomsten als bedoeld in het eerste lid, uitgaande van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op geestelijke grondslag, is een eenmalige kennisgeving voldoende.

artikel 6: De burgemeester kan tijdens een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging aanwijzingen geven, die degenen die deze houden of daaraan deelnemen in acht moeten nemen

artikel 7: De burgemeester kan aan degenen die een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien:

artikel 9: lid 1: Degenen die in de nabijheid van een gebouw in gebruik bij het Internationaal Gerechtshof, een diplomatieke vertegenwoordiging of een consulaire vertegenwoordiging een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen, onthouden zich van gedragingen die het functioneren van de desbetreffende instelling aantasten.

               lid 2: Ter bestrijding van gedragingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester tijdens een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging aanwijzingen geven, die degenen die deze houden of daaraan deelnemen in acht moeten nemen.

               lid 3: Indien in strijd wordt gehandeld met een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid en de omstandigheden het vorderen, kan de burgemeester aan degenen die een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan

artikel 10: Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zijn toegestaan. De gemeenteraad is bevoegd ter zake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau

artikel 11: lid 1: Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: a: het houden van of deelnemen aan een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging waarvoor de vereiste kennisgeving niet is gedaan of waarvoor een verbod is gegeven;

artikel IV: De Wet van 10 september 1853, Stb. 102, tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen wordt ingetrokken.

artikel VI: Tot de inwerkingtreding van de door de gemeenteraad vast te stellen regels bedoeld in de artikelen 3 en 4 van artikel I van deze wet, doch uiterlijk tot drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet, gelden met betrekking tot de voorafgaande kennisgeving van samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergaderingen en betogingen, de volgende bepalingen:

                a: Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, een vergadering of een betoging te houden, geeft daarvan ten minste 48 uur voor de aanvang schriftelijk kennis aan de burgemeester.

                b: Voor op vooraf bepaalbare tijdstippen regelmatig terugkerende samenkomsten als bedoeld in onderdeel a, uitgaande van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op geestelijke grondslag, is een eenmalige kennisgeving voldoende.

 


50 
Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonissen:

artikel 5:  Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet worden ten uitvoer gelegd indien naar het oordeel van Onze Minister een gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing tot vervolging of de oplegging van de sanctie is ingegeven door overwegingen van ras, godsdienst, levensovertuiging, nationaliteit of politieke overtuiging van de veroordeelde of deswege ongunstig is beïnvloed.

 

 

51  Wet politiegegevens:

artikel 5: De verwerking van politiegegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging vindt slechts plaats in aanvulling op de verwerking van andere politiegegevens en voor zover dit voor het doel van de verwerking onvermijdelijk is.

52  Wet publieke gezondheid:

artikel 1: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaanonde: s: gebouw: elk bouwwerk dat een overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging;

53  Wetboek van Strafrecht:

artikel 14c: lid 3:De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken

artikel 15a: lid 4: De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken.

artikel 38a: lid 4: De in artikel 38, eerste lid, bedoelde voorwaarden mogen de vrijheid de godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken.

artikel 38g: lid 3: De in het tweede lid, bedoelde voorwaarden mogen de vrijheid de godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken.

artikel 38p: lid 7: De in het vierde lid gestelde voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken.

artikel 77w: lid 4: Het programma, bedoeld in het derde lid, mag de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden, en de staatkundige vrijheid niet beperken.

artikel 77z: Toepassing van artikel 77x geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en, in het geval aan de toepassing van artikel 77x bijzondere voorwaarden als bedoeld in de tweede volzin worden gesteld, dat hij medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplichtter inzage aanbiedt. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen daarnaast kunnen worden gesteld. Deze mogen de vrijheid van de verdachte zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden, en de staatkundige vrijheid niet beperken. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de uitspraak te bepalen tijdsduur binnen de proeftijd.

artikel 137c: lid 1: Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

artikel 137d: lid 1: Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

artikel 137 e: Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1: een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap

artikel 137f: Hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie

artikel 145: Hij die door geweld of bedreiging met geweld hetzij een geoorloofde openbare samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, hetzij een geoorloofde godsdienstige of levensbeschouwelijke plechtigheid of lijkplechtigheid verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

artikel 146: Hij die door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis hetzij een geoorloofde openbare samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, hetzij een geoorloofde godsdienstige of levensbeschouwelijke plechtigheid of lijkplechtigheid opzettelijk stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

artikel 147: Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: 1: hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;

             2: hij die een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening bespot;

             3: hij die voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst geoorloofd is, beschimpt.

artikel 147a: lid 1: Hij die een geschrift of afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen voorkomen, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

artikel 429quater: Hij die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf personen discrimineert wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

artikel 449: lid 1: De bedienaar van de godsdienst die, voordat partijen hem hebben doen blijken dat hun huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken, enige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

 

 

54  Wetboek van Strafvordering:

artikel 126nc: lid 3: Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.

artikel 126nd: lid 2: Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan niet betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging

artikel 257a: Voorts kan de strafbeschikking aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen. De aanwijzingen mogen de vrijheid van de verdachte zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. Zij kunnen inhouden:

artikel 493: Schorsing van de voorlopige hechtenis vindt steeds plaats onder de algemene voorwaarden, genoemd in artikel 80. De rechter kan, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, ook bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden. De rechter verbindt slechts bijzondere voorwaarden aan de schorsing voor zover de jeugdige daarmee instemt. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen aan de schorsing kunnen worden verbonden en aan welke eisen de instemming van de jeugdige moet voldoen. De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden dat een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg aan de verdachte hulp en steun verleent. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun.

artikel 543: lid 5: De bevelen mogen de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging dan wel de staatkundige vrijheid niet beperken

artikel 552s: In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de handeling van een inzittende van een luchtvaartuig, naar aanleiding waarvan deze na de landing van het luchtvaartuig in Nederland ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Verdrag is overgedragen, een overtreding vormt van een strafbepaling die op discriminatie naar ras, godsdienst of levensovertuiging berust, wordt geen onderzoek ingesteld.

55 Wet studiefinanciering:

artikel 2.10: Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse wetenschappelijk theologische opleiding ten behoeve waarvan aan het desbetreffende kerkgenootschap vanwege het Rijk een bijdrage wordt verleend.

artikel 5.6: “Prestatiebeurs meer dan 4 jaren”: lid 1: de prestatiebeurs wordt gedurende meer dan 4 jaren verstrekt voor het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde, vierde, vijfde of zesde lid, van de WHW….

                                                                          lid 2: De prestatiebeurs wordt gedurende 6,5 jaren verstrekt indien het betreft: a: het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en

                 b: een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW.

artikel 9.5: lid 2: De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.

artikel 10.5: lid 4: De tempobeurs wordt gedurende 7,5 jaren verstrekt, indien het betreft:

                             a: een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die dan wel het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap

                             b: het geheel van een bacheloropleiding en masteropleiding met een gezamenlijke studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs,

                             c: een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs,

                             d: het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW, of

                             e: een opleiding in de zin van artikel 18.15 van de WHW in de godgeleerdheid aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW

artikel 10.6: lid 3: In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister naar aanleiding van een door een instelling als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, in te dienen aanvraag, toestaan dat in plaats van studiepunten een andere norm voor de beoordeling van studievoortgang wordt gehanteerd. Deze andere norm dient gelijkwaardig te zijn aan de norm uitgedrukt in studiepunten. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat een student in redelijkheid kan voldoen aan de in de vorige volzin bedoelde norm

                    lid 4: De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.

artikel 12.10: lid 3: In afwijking van artikel 5.6 wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:

                            a: een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en

                            b:  een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van artikel 18.15 van de WHW in de godgeleerdheid aan een op grond van artikel 6.9 van de WHW aangewezen instelling.

56   Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945:

artikel 2: lid1: Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland of het voormalige Nederlands-Indië vijandelijke bezettende machten werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit en welke heeft geleid tot:

artikel 31: lid 1: Alvorens op een aanvraag wordt beslist, wordt een rapport opgesteld omtrent de aard en de gevolgen van de vervolging en de levensomstandigheden van de betrokkene. Het rapport bevat een advies met betrekking tot de met toepassing van deze wet te treffen voorzieningen.

                 lid 2: Naar keuze van de belanghebbende wordt het rapport opgesteld door: a: de Stichting Joods Maatschappelijk Werk te Amsterdam.

 

57  Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten: 

Bijlage 1. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten

De diensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten, zijn:

2: Rijksmuseum Het Catharijneconvent. Museum voor de christelijke Cultuur in Nederland te Utrecht;

 


58
 Winkeltijdenwet:

artikel 2: lid 1: Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:

a: op zondag;

b: op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur;

artikel 3: lid 1: De gemeenteraad kan voor ten hoogste twaalf door hem aan te wijzen dagen per kalenderjaar vrijstelling verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste of tweede Kerstdag. De beperking tot twaalf dagen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk.

artikel 4: Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste of tweede Kerstdag, verlenen op grond van plotseling opkomende bijzondere omstandigheden.

artikel 5: lid 1:  Bij algemene maatregel van bestuur kan vrijstelling van de in artikel 2 vervatte verboden voor zover deze betrekking hebben op de zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste of tweede Kerstdag worden verleend. Bij een zodanige maatregel kan de gemeenteraad de bevoegdheid worden verleend om, indien naar zijn oordeel plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, bij verordening te bepalen dat een vrijstelling voor de betrokken gemeente of een of meer delen daarvan niet geldt.

artikel 6: lid 1:Indien de eigenaar of beheerder van een winkel tot een kerkgenootschap behoort, dat de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag houdt, of te goeder trouw verklaart een godsdienst of levensovertuiging te belijden welke vordert, dat de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag wordt gehouden, verlenen burgemeester en wethouders op zijn verzoek ontheffing van het verbod van artikel 2, eerste lid, onder a.

 

 

59  Wijzigingswet wet op het basisonderwijs:

artikel V: De school voor openbaar en protestants-christelijk onderwijs in Earnewâld wordt niet voor een bij koninklijk besluit te bepalen datum opgeheven, tenzij deze school indien zij als nevenvestiging onderdeel zou vormen van een andere school wegens het niet voldoen aan een van de normen voor bekostiging van een nevenvestiging, genoemd in artikel 158, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs zou moeten worden opgeheven. Indien deze school op een bij koninklijk besluit te bepalen datum voldoet aan de criteria voor het voortbestaan als zelfstandige school, kan de bekostiging van deze school met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum worden voortgezet zolang na laatstgenoemde datum geen opheffing op grond van de artikelen 153 tot en met 160 van de Wet op het primair onderwijs behoeft plaats te vinden

 

 

60  Zondagswet: “Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wet van 1 Maart 1815, Staatsblad no. 21, houdende voorschriften ter viering van de dagen aan de openbare Christelijke Godsdienst toegewijd, te vervangen door nadere voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag en enige Christelijke feestdagen”.

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze”:
artikel 1: 1: Voor de toepassing van deze wet worden de Hemelvaartsdag en de eerste Kerstdag met de Zondag gelijkgesteld.

               2: Voor de toepassing van artikel 2 worden de tweede Paas-, Pinkster- en Kerstdag, de Goede Vrijdag en de Nieuwjaarsdag met de Zondag gelijkgesteld.

artikel 2: lid 1 Het is verboden op Zondag in de nabijheid van kerken of andere gebouwen voor de openbare eredienst in gebruik, zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, waardoor de godsdienstoefening wordt gehinderd.

              lid 2: De burgemeester treft de nodige maatregelen teneinde te voorkomen, dat op Zondag door het verkeer op land- en waterwegen in de nabijheid van kerken of andere gebouwen voor de openbare eredienst in gebruik, meer voor de godsdienstoefeningen hinderlijk gerucht wordt veroorzaakt dan met het oog op de eisen van dat verkeer redelijkerwijze onvermijdelijk is. Hij is bevoegd daartoe verbiedend of bevelend op te treden of te doen optreden.

artikel 3: lid 2: Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op uitingen tijdens geoorloofde samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging , vergaderingen of betogingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Voor zover dat vereist is ter voorkoming van gerucht dat de viering van de Zondag en de openbare rust op de Zondag ernstig verstoort, voegt de burgemeester aan de voorschriften en beperkingen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties voorschriften en beperkingen toe met betrekking tot het geluidsniveau en met betrekking tot het gebruik van geluidsapparaten, of worden door hem aanwijzingen ter zake gegeven.

artikel 5: lid 1: Het is verboden op Zondag voor 13 uur optochten of bijeenkomsten op openbare plaatsen te houden, daartoe gelegenheid te geven, of daaraan deel te nemen.

               lid 2: Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: a: samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging;

               lid 3: Met betrekking tot de in het tweede lid onder a bedoelde samenkomsten voegt de burgemeester, voor zover dat vereist is ter voorkoming van onnodige verstoring van de openbare rust op de Zondag, aan de voorschriften en beperkingen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties voorschriften en beperkingen toe met betrekking tot tijd, plaats en duur van zodanige samenkomsten, of worden door hem aanwijzingen ter zake gegeven

artikel 5a: lid 2: Artikel 3, derde lid, en artikel 4, derde lid, zijn niet van toepassing in door Gedeputeerde Staten aangewezen gemeenten, waar naar hun oordeel het verlenen van ontheffing zou indruisen tegen godsdienstige overtuigingen, welke het volksleven aldaar overwegend beheersen. Alvorens Gedeputeerde Staten tot aanwijzing overgaan, horen zij burgemeester en wethouders.

artikel 6: Het is verboden op Zondag zonder genoegzame reden de openbare rust door arbeid in beroep of bedrijf te verstoren.

artikel 7: lid 1: Plaatselijke verordeningen tot regeling van punten, waaromtrent bij deze wet niet is voorzien, mogen geen verbodsbepalingen inhouden omtrent sportbeoefening of andere vormen van ontspanning op Zondag, die niet als openbare vermakelijkheid in de zin van deze wet zijn te beschouwen

               lid 2: Besluiten van een orgaan van de gemeente mogen geen beletselen inhouden voor sportbeoefening of andere vormen van ontspanning op zondag, niet zijnde openbare vermakelijkheden als bedoeld in het eerste lid

               lid 4: De gemeenteraad kan bij plaatselijke verordening bepalen, dat artikel 2 mede van toepassing zal zijn op in de verordening met name genoemde dagen, welke door een of meer kerk genootschappen tot rust- of feestdagen zijn bestemd.

artikel 13: Deze wet kan worden aangehaald onder de benaming “Zondagswet”.

(Copyright © 2010 Frans van Dongen, Atheistisch Seculiere Partij.
All Rights Reserved)